Van tandartsassistente tot peuterjuf

De ochtend is bijna voorbij. Fleur Crasborn (44) zingt het afscheidsliedje en samen met juf Ria helpt ze de peuters met hun jas en rugzak. Zo hier en daar deelt ze een complimentje uit. “Natuurlijk moet je wel eens streng zijn, maar ik ben wel een juf die alles zoveel mogelijk van de positieve kant benadert.”

“Er komen zo’n zes tot acht kinderen naar de noodopvang van de Bijtjes,” legt Fleur uit. Daar is ze heel blij mee, want stilzitten is niets voor haar. Sinds september is ze aan het werk bij peuteropvang Heerlen. “Ik maakte kennis met de collega’s van de Bijtjes en het klikte meteen. Ik heb voor tandartsassistente gestudeerd. Hoewel ik in het tweede jaar al wist dat het niet mijn werk was, heb ik de studie toch afgemaakt. Daarna ben ik meteen naar de pabo gegaan. In verschillende groepen heb ik gewerkt, de laatste jaren bij de kleuters. Toch gaf het me niet genoeg voldoening. Door een blessure aan mijn knie zat ik een tijdje thuis en kon ik nadenken over wat ik écht wilde. De vacature van de peuteropvang kwam voorbij en ik wist meteen, dit is het. Bij kleuters ligt de nadruk op de ontwikkeling, terwijl het bij peuters vooral draait om de behoefte van het kind, wat een kind op dat moment nódig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Dat past meer bij mij. Ook werk ik nu in een fijn team, waarmee ik kan overleggen. Ik ben wel een enthousiaste en nieuwsgierige juf, denk ik.” Dan lachend: “Als ik aansta, sta ik ook echt aan.” “Fleur is altijd heel positief,” vult collega Ria aan. “Ze staat meteen klaar, bereidt met veel plezier programma’s voor en is altijd vrolijk. De peuters van de Bijtjes zijn bij haar in goede handen.”

In haar vrije tijd schildert en tekent Fleur graag. Creativiteit die ze ook weer gebruikt in haar werk. “Ik ben graag creatief bezig, het liefst met een doel. Zo heb ik een trainingspak gemaakt voor Snuf en een vleermuis voor de voorleeshoek. Het is erg fijn dat ik in de noodopvang kan werken, maar er is ook meer vrije tijd, doordat we nergens naar toe kunnen. De dingen die ik doe, doe ik nu met meer aandacht. Uitgebreider koken, langer wandelen met de hond. Ook in de peuteropvang geven we meer aandacht, zoals bijvoorbeeld aan de ouders. We bellen ze regelmatig. En ook is er extra aandacht voor de peuters die niet naar de noodopvang komen. Als peuters vier worden en ze naar de basisschool gaan, zingen we voor ze aan de telefoon. Laatst hebben we iets geknutseld voor een peuter die een broertje had gekregen. Zo gaan we door in deze vreemde tijd en maken we er het beste van. Maar de peuters en ouders mis ik heel erg en ben ik blij dat de peuteropvang weer opengaat.”

Reageren is niet mogelijk